Werkzaamheden voor onderhoud en verbetering kunnen schadelijk zijn voor beschermde diersoorten. Denk aan vleermuizen in de spouwmuren. De Omgevingswet geeft regels voor de bescherming van flora en fauna.
Woningcorporaties kunnen bij projecten met beperkte impact op beschermde diersoorten werken met de Gedragscode soortenbescherming. Als een corporatie kan aantonen dat zij volgens de voorwaarden van de gedragscode werkt, is het niet nodig een ontheffing van de Omgevingswet aan te vragen bij de provincie. Dat scheelt een hoop tijd.
Ervaringen met de gedragscode
Het is prettig dat die gedragscode er is, vinden ze bij Woonplus. Aan de andere kant zijn er nog wel wat losse eindjes. ‘Bij corporaties waar ik eerder werkte, hadden we al de nodige ervaring met bescherming van flora en fauna’, vertelt Bianca Koster, projectmanager Verduurzaming EFG bij Woonplus. De aanpak van de EFG-labels was voor Woonplus een mooi moment om met de gedragscode aan de slag te gaan. Wat zijn de ervaringen tot nu toe? En wat kan er beter?
‘De gedragscode is een van de manieren om te voldoen aan de Omgevingswet en om te voorkomen dat je langdurig onderzoek of een vergunningsaanvraag moet doorlopen voor een ontheffing. We begonnen met een quick scan voor alle woningen voor de EFG aanpak: bij welke woningen hebben we mogelijk te maken met beschermde diersoorten? En vallen deze projecten dan binnen de voorwaarden van de gedragscode?’ Tot nu toe pakken de quick scans die Woonplus uitvoert, gunstig uit. Dat komt voornamelijk doordat Woonplus woningen in stedelijk gebied heeft, waar minder flora en fauna te vinden is. ‘Komen we bijvoorbeeld alleen vleermuizen of mussen tegen, dan passen we de gedragscode toe.’
Zoeken naar ruimte en alternatieven
Steffie Rens, projectmanager Planmatig onderhoud: ‘Het protocol helpt bij het uitvoeren van procedures, maar we missen wel een stap. Volgens de gedragscode voer je na de quick scan aanvullend onderzoek uit. Maar wij weten uit ervaring dat je ook kunt zoeken naar alternatieven. Stel je voert schilderwerkzaamheden uit. Dan kun je ervoor kiezen dat in de winter te doen. Dan hoef je geen rekening te houden met nestelende vogels, wat betekent dat aanvullend onderzoek niet nodig is. Dergelijke oplossingen ontbreken nu in de code.’
Rens merkt op dat ervaring nodig is om de code goed te kunnen gebruiken: ‘Heb je die ervaring niet, dan weet je niet welke mogelijkheden er nu missen in de gedragscode. Ben je ervaren op dit vlak, dan weet je waar de ruimte zit en wat alternatieven zijn.’
Regels zijn nog te beperkend
Volgens Koster en Rens is de gedragscode een basis, een middel om de procedures te volgen. ‘De oplossingen zijn uiteindelijk maatwerk’, aldus Koster. ‘Welke maatregelen passen, hangt helemaal af van de situatie.’ De gedragscode mag wat Koster betreft nog wel wat ruimer worden. ‘Ik vind de voorwaarden best beperkend. Bij 4 gierzwaluwen mag je met de gedragscode werken, bij nummer 5 moet je al ontheffing aanvragen. En geloof me, dan ben je zo 9 maanden verder. Ook mag je maar met 50 woningen tegelijk bezig zijn. Op die manier is de gedragscode beperkend.’
De gedragscode biedt dus nog niet dé oplossing om alle vertraging te voorkomen. De doorlooptijden bij de provincie zijn hierin afgekaderd, waardoor corporaties niet goed kunnen plannen. Jammer, vinden Koster en Rens. ‘Bewoners zijn uiteindelijk de dupe. Het duurt langer voordat we hun woningen kunnen renoveren, zij zitten dus langer in de kou.’ En moet je dan toch ontheffing aanvragen, dan zien zij ook nog wel ruimte voor verbetering: ‘Wij hebben de opdracht om alle woningen met EFG-labels te verbeteren. Dan zou het wel helpen als alle procedures erop ingericht zijn belemmeringen zo snel mogelijk op te lossen, met oog voor de natuur, en vertraging te voorkomen.’